De afgelopen jaren is de zorgplicht die banken in acht behoren te nemen jegens hun klanten in toenemende mate aangescherpt. In een recente uitspraak van de Rechtbank Breda is duidelijk geworden dat zelfs ogenschijnlijk zorgvuldig handelende banken zich daarbij op glad ijs kunnen begeven. Vooral bij het opzeggen van financieringsrelaties is - nu meer dan ooit - alertheid op zijn plaats.
In de bewuste procedure werd de financierende bank aansprakelijk gehouden jegens de gezamenlijke crediteuren van een in staat van faillissement verkerende vennootschap. Volgens de Rechtbank had de bank onrechtmatig gehandeld, doordat deze na de opzegging van de kredietfaciliteit de financiering feitelijk had voortgezet, ondanks een gestaag toenemende schuldenlast. Doordat de bank zichzelf extra zekerheden liet verschaffen, waaronder een pandrecht op uitstaande debiteurenvorderingen, werden de overige crediteuren van de vennootschap benadeeld. Immers, ondanks het faillissement van de vennootschap kon de bank de aan haar verschafte zekerheden uitwinnen, terwijl overige crediteuren met lege handen bleven staan.
De uitspraak van de Rechtbank is opmerkelijk aangezien in de rechtspraak herhaaldelijk is bepaald dat banken juist in de periode vooraf en na de opzegging van een kredietrelatie uiterst zorgvuldig moeten handelen. Daarbij worden zij steeds meer geacht rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de kredietnemer. Zo zal de bank in het algemeen bij het uitwinnen van aan haar verschafte zekerheden ruime termijnen in acht moeten nemen, onder om de kredietnemer in staat te stellen een alternatieve financiering te regelen. De uitspraak van de Rechtbank Breda toont aan dat de coulance van de kant van de bank ook een grens kent. Wanneer een bank na opzegging van de kredietrelatie blijft doorfinancieren loopt zij een risico op aansprakelijkheid. Dat risico manifesteert zich met name wanneer door de kredietnemer extra zekerheden worden verstrekt aan de bank, terwijl zij tegelijkertijd nieuwe schulden blijft aangaan. Als het vervolgens komt tot een faillissement van de kredietnemer zal de bank rekening moeten houden met een claim van de curator.
Het valt te verwachten dat de uitspraak van de Rechtbank Breda door curatoren zal worden aangegrepen om vaker financierende banken aansprakelijk te houden. Ook moet niet worden uitgesloten dat crediteuren zèlf banken op die grond aansprakelijk zullen stellen. Voor banken is de ontwikkeling wrang, aangezien zij hierdoor dreigen te worden afgestraft voor hun coulante opstelling jegens de kredietnemer. De op banken rustende zorgplicht is hierdoor opnieuw opgerekt in die zin dat van banken ook verwacht wordt dat zij bij hun handelwijze rekening houden met de belangen van de crediteuren van hun kredietnemers.
Op zich valt het toe te juichen dat in de rechtspraak het vage begrip zorgplicht nader wordt ingekleurd. Dit neemt niet weg dat naar ons idee op grond van de huidige rechtspraak banken in een bijna onmogelijke spagaat terecht zijn gekomen. Nemen zij een te korte opzegtermijn in acht of gaan zij te snel over tot het uitwinnen van zekerheden, dan lopen zij een risico op aansprakelijkheid jegens de kredietnemer. Nemen zij daarentegen ten behoeve van de kredietnemer te veel tijd voor de afwikkeling van de financiering, dan lopen zij een risico op aansprakelijkheid jegens de crediteuren van de kredietnemer. De uitspraak van de Rechtbank Breda maakt het voor banken nog lastiger om juist te handelen bij de opzegging van kredietrelaties.


