Zeer binnenkort zal de wet in werking treden waarmee de Europese Rechtshandhaving Richtlijn (hierna: de Richtlijn) zal worden geïmplementeerd. De wet houdt een wijziging in van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door aanvulling van een nieuwe titel, 15, over rechtspleging betreffende intellectuele eigendomsrechten (IE rechten). Voor de rechtspraktijk is de meest ingrijpende verandering van de Richtlijn de regel dat de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld kan worden in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.
Proceskosten vergoed
Op basis hiervan kan de winnende partij niet alleen de werkelijke advocatenkosten, maar ook de kosten van bijvoorbeeld de octrooi- of merkengemachtigde vorderen in IE-rechtszaken. Dit is een novum omdat daarvoor in IE zaken de verliezende partij slechts kon worden veroordeeld in de proceskosten zoals die door de rechter volgens een puntensysteem werden vastgesteld. Dit betekende dat de winnende partij slechts een fractie van zijn werkelijk gemaakte proceskosten vergoed kreeg.
Nederland
Vanaf het moment dat de implementatietermijn van de Richtlijn op 29 april 2006 was verlopen, zijn de Nederlandse rechters in het kader van de Europese plicht tot richtlijnconforme interpretatie van de bestaande regelgeving, reeds gaan experimenteren met dit novum in de Nederlands rechtspraktijk. Zo is er in bijna een jaar tijd een keur aan uitspraken gekomen in IE-zaken (met name kort gedingzaken) waarbij niet alleen aan de winnende, eisende maar ook aan de winnende, gedaagde partij proceskostenvergoedingen zijn toegekend tot zelfs boven de € 20.000,=.
Binnen afzienbare tijd (zodra de wet in werking treedt door publicatie in het Staatsblad, hetgeen naar verwachting binnen twee maanden zal gebeuren) kan de rechter de wet direct toepassen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn en de Implementatiewet, alsook uit de thans bestaande jurisprudentie volgt dat er ruimte moet zijn voor billijkheidscorrecties. Uitgangspunt van deze wet is dat een volledige proceskostenveroordeling vooral voor de hand ligt bij grootschalige inbreuk of piraterij en niet zozeer bij inbreuk te goeder trouw. Verder wordt in de totstandkomingsgeschiedenis met betrekking tot het nieuwe artikel geopperd dat partijen altijd desgewenst met elkaar kunnen afspreken de "normale" proceskostenregeling van toepassing te laten zijn op hun zaak en geen beroep te doen op dit nieuwe artikel.
Komende tijd
Toch resteren nog vele vragen die de komende tijd in de rechtspraak uitgekristalliseerd zullen moeten worden. Bijvoorbeeld welke specifieke kosten allemaal meegenomen kunnen worden en hoe omgegaan moet worden met een zaak die slechts gedeeltelijk betrekking heeft op een IE recht. Ook is discussie mogelijk hoe de billijkheidscorrecties moeten worden toegepast en hoe het toepassingsgebied van de regeling voor de IE rechten moet worden afgebakend. Los van deze onzekerheden wordt deze regelgeving door de rechtspraktijk toch vooral als een aanwinst verwelkomd, omdat nu zowel de eisende als de gedaagde partij verlost kan worden van de kater dat bij een glorieuze victorie in de rechtszaal toch nog het grootste deel van de eigen gemaakte proceskosten vergoed moet worden. Die kater blijft helaas nog wel bestaan voor de niet IE rechtszaken.


