Het retentierecht is een van de sterkste dwangmiddelen die de vervoerder tot zijn beschikking heeft om betaling van openstaande facturen af te dwingen. De vervoerder oefent het recht uit door afgifte van de door hem gehouden zaken te weigeren totdat zijn openstaande facturen zijn betaald. Naar Nederlands recht heeft het retentierecht ook derdenwerking: de vervoerder kan ook ten opzichte van de ontvanger het retentierecht inroepen, ook al dient de afzender de factuur van de vervoerder te betalen. Beroept de vervoerder zich terecht op zijn retentierecht en wordt de vervoerder desondanks niet betaald, dan kan de vervoerder de goederen executoriaal verkopen. Aldus heeft het retentierecht een tweeslachtig karakter: verbintenisrechtelijk wordt het retentierecht gekwalificeerd als een bijzonder opschortingsrecht: de vervoerder schort zijn prestatie, bestaande uit het afleveren van de vervoerde goederen op totdat de wederpartij zijn verplichting tot betaling is nagekomen. Maar het retentierecht heeft ook een goederenrechtelijk karakter: de combinatie van het recht van retentie en het recht om de goederen executoriaal te verkopen is te kwalificeren als een zekerheidsrecht. De lading dient de vervoerder tot zekerheid voor betaling van zijn vordering.
Het tweeslachtige karakter van het retentierecht zorgt voor interpretatieproblemen bij een internationale vervoerovereenkomst of internationale fysieke distributieovereenkomst waarbij op de overeenkomst Nederlandse recht van toepassing is, maar de goederen zich niet in Nederland bevinden. De vraag is dan of een beroep op het retentierecht wordt beheerst door het overeengekomen Nederlands recht (lex contractus) of door het recht van de plaats waar de goederen zich bevinden (lex rei sitae).
Onlangs heeft de Hoge Raad een aantal onduidelijkheden weggenomen in het arrest Leyland DAF c.s./De Rooy en Edcrest. Dit artikel belicht de belangrijkste elementen van de uitspraak.
Volledige tekst:


