Op 13 december 2007 is het gewijzigde Europees Octrooiverdrag (EOV) in werking getreden. Het EOV uit'73 is een zeer succesvol verdrag, waarbij nu 32 landen zijn aangesloten, waaronder alle landen van de Europese Unie. Het EOV had destijds als doel om op een efficiënte manier een octrooiverleningsprocedure in het leven te roepen, waarbij in één keer voor maximaal alle lidstaten een Europees octrooi kon worden aangevraagd. Na verlening wordt het Europees octrooi inhoudelijk beheerst door het nationale octrooirecht van de in de aanvrage aangewezen lidstaten. Na bijna 35 jaar kan het EOV een groot succes genoemd worden. Zo wordt ook voor Nederland in de meeste gevallen octrooibescherming aangevraagd via de route van het EOV.
EPC 2000
Eind 2000 vond een diplomatieke conferentie met alle EOV lidstaten (toen 20) plaats die tot doel had het EOV te moderniseren en aan te passen aan internationale verdragen. Bijna 100 revisievoorstellen werden destijds besproken. Deze hebben uiteindelijk geleid tot de nodige aanpassingen van het verdrag. Het gewijzigde EOV is ook bekend onder de naam EPC 2000 en zal hierna ook als zodanig worden aangeduid. De belangrijkste wijzigingen voor de rechtspraktijk worden hieronder kort aangestipt.
Uitvindingen met technisch karakter
Van belang is dat artikel 52 EPC 2000 dat handelt over octrooibare uitvindingen, thans in lijn met het Trips Verdrag (een verdrag inzake handelsaspecten van intellectueel eigendom en onderdeel van het Wereldhandelsverdrag) bepaalt dat octrooien verleend worden voor uitvindingen op alle gebieden van de technologie, mits ze nieuw, inventief en industrieel toepasbaar zijn. Het nieuwe is dat "op alle gebieden van de technologie" nu toegevoegd is, waarmee nog eens benadrukt wordt dat uitvindingen volgens EPC 2000 een technisch karakter moeten hebben, willen ze in aanmerking komen voor octrooiering.
Tweede medische indicatie
EPC 2000 formaliseert de mogelijkheid van een octrooi voor een uitvinding voor een tweede medische indicatie. Het gaat hier om uitvindingen waarbij voor een bekende stof, veelal een geneesmiddel, opnieuw een andere (dus tweede) toepassing wordt gevonden. Een bekend voorbeeld is de werkzame stof acetylsalicylzuur (aspirine) dat niet alleen pijnstillend, koortsverlagend en ontstekingsremmend werkt, maar later ook als geneesmiddel voor hartpatiënten bleek te werken. In de jurisprudentie van de afdelingen rechtspraak van het EOV werden octrooiconclusies voor dit soort uitvindingen al aanvaard, maar nu is er ook een basis voor te vinden in het verdrag.
Uitlegprotocol
Een andere inhoudelijke wijziging is te vinden in het daarbij behorende Uitlegprotocol. Dit misschien wel belangrijkste artikel uit het verdrag geeft aan dat de beschermingsomvang van het Europees octrooi bepaald wordt door de conclusies, waarbij de beschrijving en de tekeningen tot uitleg van de conclusies dienen. Daarvoor bepaalde "de inhoud van de conclusies" de beschermingsomvang van het Europees octrooi. De impact van deze ogenschijnlijk minutieuze wijziging wordt duidelijk doordat ook het Uitlegprotocol bij art. 69 EPC 2000 is aangepast. Dit protocol is in de jurisprudentie van groot belang gebleken, omdat octrooirechters dit veelal als leidraad hanteren bij de bepaling van de beschermingsomvang van een Europees octrooi in inbreukprocedures. Thans wordt aan de oude tekst van dit protocol toegevoegd dat bij de uitleg van een Europees octrooi rekening gehouden moet worden met ieder kenmerk dat equivalent is met een kenmerk dat opgenomen is in de conclusies. Dit is de eerste formele erkenning dat het leerstuk van de equivalentie bij de uitleg van een Europees octrooi een rol speelt (hoewel dit in de octrooirechtspraak al werd toegepast). Soms wordt door een (beweerd) inbreukmaker een uitvoeringsvorm van de geoctrooieerde uitvinding toegepast waarbij één kenmerk niet hetzelfde is als beschreven in de conclusie. Bijvoorbeeld in de octrooiconclusie staat als kenmerk onder meer "verlichting voor een fiets" terwijl de (beweerd) inbreukmaker een "verlichting voor een scooter" toepast. Onder omstandigheden zal de rechter kunnen oordelen dat toch sprake is van inbreuk omdat het kenmerk scooter in het licht van de geoctrooieerde uitvinding equivalent moet worden geacht met fiets. Dit zal in de rechtspraktijk van belang kunnen zijn.
Octrooihouder mag octrooi beperken
Een andere wijziging die met name voor Nederland belangrijk kan zijn is de bepaling (art. 138 lid 3 EPC 2000) dat de Europese octrooihouder in nationale nietigheidsprocedures altijd zijn octrooi mag limiteren door de conclusies te wijzigen. Deze bepaling zal wellicht van invloed zijn op de leer van de Hoge Raad dat een wijziging van de conclusie in het kader van een partiële nietigheid slechts toegestaan is indien een dusdanige wijziging voorzienbaar was voor de vakman (de zogenaamde Spiro/Flamco-leer).
Indieningsdatum
EPC 2000 bevat tot slot ook een aantal bepalingen die voor de verleningspraktijk van groot belang zijn. In het kader van dit artikel wordt slechts opgemerkt dat het eenvoudiger wordt om een indieningsdatum te verkrijgen. Hiervoor is namelijk niet meer nodig dat er direct conclusies geformuleerd worden, maar is in beginsel een beschrijving van de uitvinding voldoende. In sommige gevallen is zelfs zo'n beschrijving niet eens nodig, maar kan volstaan worden te verwijzen naar een al eerder ingediende octrooiaanvrage voor de uitvinding. In de daaropvolgende fase kan dan in alle rust de octrooiaanvrage aangescherpt worden door conclusies te gaan formuleren.
De herziening van het EOV in de EPC 2000 heeft het Europese Octrooisysteem voor wat betreft de verleningsprocedure en uitleg van het octrooi duidelijk meer up-to-date gemaakt. Helaas kan dit nog niet gezegd worden over de rechtshandhaving van het Europees octrooi. Hier is van harmonisering (of modernisering) nog geen sprake en is de rechthebbende overgeleverd aan rechtshandhaving op nationaal niveau binnen de EU.


