Eind januari 2008 deed het Europese Hof van Justitie uitspraak in de Promusicae/Telefónica zaak. Promusicae is een Spaanse rechthebbendenorganisatie die als evenknie van stichting Brein kan worden beschouwd, en zich inzet voor de belangen van de bij haar aangesloten (auteurs)rechthebbenden te behartigen. In die hoedanigheid treedt zij op tegen de massale auteursrechtschendingen die het downloaden van film of muziek via peer-to-peer netwerken met zich meebrengt. In dit geval trachtte Promusicae gebruikers van Kazaa aan te pakken, en eiste medewerking van provider Telefónica om aan de persoonsgegevens van de betreffende gebruikers te komen.
Drie Richtlijnen
Telefónica weigerde de persoonsgegevens vrijwillig te verstrekken en stelde zich in rechte op het standpunt dat abonneegegevens uitsluitend mogen worden verstrekt ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek of om de openbare veiligheid te waarborgen. Volgens haar bestaat er dus geen verplichting dit ook te doen in civiele procedures. Promusicae deelde die zienswijze niet, stelde dat dit standpunt in strijd is met Europese regelgeving en bracht drie Richtlijnen (m.b.t. elektronische handel, auteursrecht en handhaving intellectuele eigendomsrechten) in stelling, alsmede het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie om haar zienswijze te onderbouwen.
Omdat het in deze zaak uitleg van Europese Richtlijnen betrof, heeft de Spaanse rechtbank de vraag (door middel van een zgn. prejudiciële vraag) voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie. Het Hof stelt vast dat uitzonderingen op het recht van persoonlijke levenssfeer mogelijk zijn, maar oordeelt vervolgens dat geen van de drie Richtlijnen de Lidstaten (en ook nationale rechters) verplicht om persoonsgegevens te verstrekken in een civiele procedure over schending van auteursrecht. Niettemin moet bij de uitleg van die Richtlijnen een juist evenwicht tussen de twee grondrechten worden betracht. Het Hof overweegt daarbij dat de uitleg van de Richtlijnen niet in conflict mag komen met deze grondrechten of andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel.
Verandert de Hoge Raad van koers?
Betekent deze uitspraak een streep door de bestaande (nationale) jurisprudentie over het verstrekken van persoonsgegevens aan rechthebbendenorganisaties? Dat lijkt niet het geval. Weliswaar is er volgens het Hof geen sprake van een verplichting tot verstrekken, maar evenmin van een absoluut verbod om persoonsgegevens nooit te verstrekken. Het gaat om een evenwichtige belangenafweging tussen het intellectuele eigendomsrecht aan de ene kant, en het privacyrecht aan de andere, een en ander in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. De criteria die in Nederland sinds het Lycos/Pesser arrest gelden en op grond waarvan een provider tot verstrekking gehouden wordt als sprake is van (mogelijke) onrechtmatigheid, schade, er geen minder ingrijpende manier openstaat en het belang van de rechthebbende zwaarder weegt dan het privacybelang van de abonnee, lijken deze toets glansrijk te doorstaan. Het is dus onwaarschijnlijk dat de Hoge Raad wat deze materie betreft van koers zal veranderen.


