Op 29 juni 1993 liet de Hoge Raad een arrest van het Hof Den Bosch in stand, waarin door het Hof was besloten dat de telefoonaansluiting van een verdachte advocaat mag worden afgetapt. Het Openbaar Ministerie had in het gerechtelijk vooronderzoek van de R-C toestemming verkregen om de telefoon van een verdachte advocaat af te tappen. In beide feitelijke instanties was door de verdediging betoogd dat door deze handelwijze het OM niet-ontvankelijk diende te worden verklaard, danwel dat de door justitie opgenomen en uitgewerkte gesprekken alsmede de `verboden vruchten´ van het bewijs dienden te worden uitgesloten.
In het onderstaande wordt op het belang van dit arrest voor de advocatuur ingegaan, waarbij tevens wordt ingegaan op de veranderde opstelling van justitie en de wetgever ten aanzien van de advocaat als beroepsgeheimhouder. In aansluiting daarop worden voorstellen gedaan om het beroepsgeheim van een (verdachte) advocaat bij de toepassing van dwangmiddelen zo goed mogelijk tegen inbreuken te beschermen.
Volledige tekst:


